Terug naar vorige pagina
Aanvullingsregelingen
Het bestuur besluit elk jaar of de aanvullingsregeling voor degenen die het jaar daarop de standaarduittredingsleeftijd bereiken, kan worden toegekend.
Als u doorwerkt, draagt uw werkgever nog altijd de premie voor de middelloonregeling én de aanvullingsregelingen af. Ook als uw aanvullingsrechten al zijn toegekend. Elke werknemer betaalt namelijk mee aan de aanvullingsregelingen. Zelfs als men geen aanspraak kan maken op de aanvullingsregelingen. Dus ook een jonge werknemer die net van school komt. Ook voor hem wordt premie afgedragen. De aanvullingsregelingen kennen solidariteit tussen jong en oud, recht of geen recht.
Het aanvullingsrecht wordt definitief toegekend als u 60 jaar wordt en aan de voorwaarden voldoet (voor UTA Bouw en Timmerindustrie is dat 62 jaar). Een uitzondering geldt voor de sector Natuursteenbedrijf. Daar wordt het aanvullingsrecht per jaar definitief toegekend. Op 60-jarige leeftijd is het dan volledig.
Als u later alsnog kan voldoen aan de voorwaarden van de Aanvullingsregeling 55+, hoeft het vroegpensioen niet in te gaan op de standaardvroegpensioenleeftijd 60/62 jaar. Wel moet u tot het moment dat u aan de voorwaarden voldoet, de premie voor de Aanvullingsregeling 55-/55+, en eventueel de middelloonregeling, betalen. Het vroegpensioen gaat in op het moment dat u wel aan de voorwaarden voldoet.
Het aanvullingsrecht wordt definitief toegekend als u met (vroeg)pensioen gaat. Pas op dat moment kunnen wij bepalen of u ook voldoet aan de oude vroegpensioenvoorwaarden.
Als u een loongerelateerde uitkering ontvangt, mag u nog maximaal twee jaar, tot de standaarduittreedleeftijd vrijwillig voortzetten. Bent u geboren vóór 1950? Dan is de standaardleeftijd 60/62 jaar. Voor deelnemers geboren voor 1950 geldt ook hier de uitzondering, dat als aan de voorwaarden 55+ kan worden voldaan op een later tijdstip, vrijwillige voortzetting mag voortduren tot het moment dat men wel aan de voorwaarden voldoet.
Als u geboren bent na 1949 is de standaardleeftijd 65 jaar.
Bij vrijwillig voortzetten kan de keuze gemaakt worden tussen volledige voortzetting of het voortzetten van alleen de aanvullingsregelingen.
U wordt ontslagen voordat uw aanvullingsrecht definitief is toegekend. Als u aan de referte-eisen voldoet (werken in de bedrijfstak voor invoering van de vroegpensioenregeling en in het tweede halfjaar van 2005), doet u er verstandig aan de premies voor de aanvullingsregelingen tot uw 60e zelf te betalen. Zo blijft u tot uw 60e (UTA Bouw en Timmerindustrie 62 jaar) actief deelnemer en raakt u de aanvullingsrechten niet kwijt. Vrijwillige voortzetting is dan dus nodig. Let op, wellicht kunt u aanspraak maken op de vergoedingsregeling voor oudere werknemers die door ontslag wegens bedrijfseconomische redenen hun aanspraak op de aanvullingsregelingen 55- en 55+ dreigen te verliezen. Deze regeling geldt voor de sector Bouwbedrijf. Kijk op de website www.bouwpensioen.nl, onder ‘nieuws’ van 16 juni 2010: ‘Tijdelijke vergoeding pensioenpremie bij ontslag’.
De fiscale ruimte is niet in alle situaties volledig benut. De Pensioenregeling Bouwnijverheid kent een maximum pensioenloon van € 54.397,69 (2012). Als een medewerker meer verdient dan het maximum pensioenloon bestaat er over dit deel boven het maximum pensioenloon nog fiscale ruimte. Zie hiervoor ook vraag 7 over de excedentregeling die werkgevers moeten aanbieden voor het wegvallen van het vroegpensioen, de opbouw tussen 62 en 65 jaar.
Voor iedere werknemer, ongeacht de leeftijd, geldt dat er, naast de basis pensioenpremie, voor zowel de aanvullingsregeling 55+ als de aanvullingsregeling 55- premie moet worden ingehouden en afgedragen.
Arbeidsongeschiktheid
De deelnemers die voor 1 januari 2006 al premievrije pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid hadden, blijven pensioen opbouwen op het niveau van de oude pensioenregeling. Zij hebben de verruimde opbouw van de nieuwe regeling immers niet nodig: de arbeidsongeschiktheidsuitkering loopt in de regel door tot de AOW-leeftijd.
In de nieuwe pensioenregeling wordt uitgegaan van de arbeidsongeschiktheidsklassen van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), die ingevoerd is per 1 januari 2006. Hieronder treft u het schema aan voor het berekenen van de premievrije pensioenopbouw.Arbeidsongeschiktheidsklasse: Hoogte premievrije pensioenopbouw:65% of meer 48% van uw pensioenopbouw 45% tot 65% 24% van uw pensioenopbouw35% tot 45% 12% van uw pensioenopbouwTot 35% Geen premievrije bijboekingHet recht op premievrije bijboeking ontstaat als de deelnemer 2 jaar actief in de bouwnijverheid heeft gewerkt. De verlenging van de wachttijd van 1 naar 2 jaar is het gevolg van het overheidsbesluit om arbeidsongeschikten pas na het tweede ziektejaar een WAO-uitkering toe te kennen. Deze maatregel is ingevoerd op 1 januari 2005. De werkgever heeft gedurende de eerste twee jaar een loondoorbetalingsverplichting, het 1e jaar bedraagt de ziektewetuitkering 100% en het 2e jaar 70% van het salaris. Gedurende het 2e ziektewetjaar wordt door de werkgever pensioenpremie afgedragen op basis van 70% van het loon. In de CAO Bouwnijverheid is afgesproken dat ook het tweede jaar volledig wordt opgebouwd. Het kan zijn dat uw CAO's een andere verdeling van het doorbetalen over de twee ziektewetjaren kent. Maar in alle gevallen geldt dat de aanvulling van de pensioenpremie door bpfBOUW wordt betaald. De arbeidsongeschikte deelnemers blijven overigens pensioen opbouwen op het niveau van de pensioenregeling die gold voor 2006. Zij hebben de verruimde opbouw van de Pensioenregeling Bouwnijverheid immers niet nodig: de arbeidsongeschiktheidsuitkering loopt in de regel door tot de AOW-leeftijd.
Dispensatie
Als gedispenseerde werkgever heeft u uiteraard de mogelijkheid om van pensioenuitvoerder te veranderen. Hierover zijn meestal bepalingen opgenomen in het pensioencontract. Ook heeft u de mogelijkheid terug te keren naar bpfBOUW als er geen gelijkwaardige pensioenregeling wordt aangeboden. Maar het kan natuurlijk zijn dat u de vervangende regeling te duur vindt of dat u gewoonweg weer terug wilt naar bpfBOUW.
Voor werknemers, geboren voor 1950, die een vervroegde pensioenuitkering ontvangen op basis van de 55+-regeling, wordt de premie voor de pensioenopbouw vanaf 65 jaar vergoed door de VUT Stichting aan bpfBOUW. De premie wordt vergoed ter hoogte van de tot 1 januari 2006 geldende pensioenregeling . Voor gedispenseerde werknemers gaat deze vergoeding naar de werkgever.
Per 1 januari 2006 stopt de opbouw van het vroegpensioen en gelden nieuwe voorwaardelijke overgangsregelingen, ook wel de 55- en 55+ regeling genoemd. Voor de aanvullingsregelingen kunt u, net als vroeger voor de bonus, inkoop en overgangsregeling, geen vrijstelling krijgen.
Als de vervangende pensioenregeling wordt aangepast dan blijft de vrijstelling voortbestaan. De vroegpensioenregeling houdt met ingang van 1 januari 2006 op te bestaan. De oude vroegpensioenrechten blijven gewaarborgd en komen tot uitkering op de vervroegde pensioendatum. Door de verruiming van de Pensioenregeling Bouwnijverheid gaat de werknemer extra ouderdomspensioen opbouwen dat hij kan aanwenden om eerder met pensioen te gaan. Ook de vervangende pensioenregeling zal deze verruimde opbouw moeten krijgen. Voor de aanvullingsregelingen kunt u, net als vroeger voor de bonus, inkoop en overgangsregeling, geen vrijstelling krijgen.
Als een werkgever vrijstelling (dispensatie) heeft van deelname aan de pensioenregeling van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (bpfBOUW) geldt dat de vervangende pensioenregeling ten minste gelijkwaardig dient te zijn aan de pensioenregeling van bpfBOUW. De gedispenseerde werkgever is in november 2005 en april 2006 geïnformeerd over de nieuwe pensioenregeling en over de gevolgen die het invoeren van deze pensioenregeling heeft.
Excedent
Door het wegvallen van de vroegpensioenregeling is er geen pensioenopbouw meer voor het deel tussen het maximum pensioenloon van de oude vroegpensioenregeling en het maximum pensioenloon bpfBOUW.
Op 1 januari 2010 is het maximum pensioenloon voor de middelloonregeling namelijk extra verhoogd met ca. €3.000,00. Daardoor hebben werknemers de mogelijkheid een hoger, levenslang, ouderdomspensioen op te bouwen. Het maximum pensioenloon per 1 januari 2011 bedraagt: € 54.051,28.Gemiddeld komt dat overeen met de hogere aanspraak uit de oude vroegpensioenregeling tussen 62 en 65 jaar.
Fiscaal
De fiscale ruimte is niet in alle situaties volledig benut. De Pensioenregeling Bouwnijverheid kent een maximum pensioenloon van € 54.974,30 (juli 2012). Als een medewerker meer verdient dan het maximum pensioenloon bestaat er over dit deel boven het maximum pensioenloon nog fiscale ruimte. Zie hiervoor ook de vraag onder het kopje excedent.
Voor de werknemers die op 1 januari 2005 jonger dan 55 jaar waren gaan wij de fiscale ruimte hoogstwaarschijnlijk op basis van bepaalde aannames berekenen. Wij zijn hierover nog in overleg met de Belastingdienst. In de praktijk zal dit waarschijnlijk niet betekenen dat wij voor iedere individuele situatie de fiscale ruimte zullen gaan uitrekenen.
Levensloop en pensioen
Tijdens levensloopverlof bouwt u geen pensioen op. Als u dat wilt, kunt u de pensioenregeling vrijwillig voortzetten tijdens het levensloopverlof. Er moet premie worden betaald voor de middelloonregeling én de aanvullingsregelingen. Dit is maximaal drie jaar toegestaan.
Let op! Tijdens levensloopverlof blijft u in dienst van uw werkgever. Uw werkgever keert het levenslooptegoed aan u uit en doet alle inhoudingen. Zet u de pensioenregeling vrijwillig voort? Uw werkgever draagt dan ook de pensioenpremie af en houdt het daarna bij u in. Vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling tijdens levensloopverlof loopt namelijk altijd via uw werkgever. Kijk ook bij de twee vragen die hierna volgen. Het maakt namelijk verschil of u levensloopverlof opneemt vóór of ná de standaardleeftijd.
Is vrijwillige voortzetting in elke sector mogelijk?
Als u geboren bent na 1949 is vrijwillige voortzetting onder de geldende voorwaarden mogelijk.
Bent u geboren voor 1950? Dan is vrijwillige voortzetting niet mogelijk in de sectoren Timmerindustrie en Afbouwbedrijf. In die sectoren geldt namelijk de verplichting dat men daadwerkelijk werkzaam blijft onder de CAO. In de sector Natuursteenbedrijf is vrijwillige voortzetting alleen mogelijk tot aan de standaardvroegpensioenleeftijd van 60 jaar.
Als u op de standaardleeftijd (eerst) met levensloopverlof gaat en aan de voorwaarden van de aanvullingsregeling voldoet, hoeft u tijdens levensloopverlof ná de standaardleeftijd de pensioenregeling niet voort te zetten om het recht op de aanvullingsregelingen te behouden of verder op te bouwen. Voor de middelloonregeling vindt er - als er vrijwillig wordt voortgezet - wel verdere opbouw plaats. Maar let op, dat kan alleen als er ook premie voor de aanvullingsregelingen wordt betaald.
Gaat u met levensloopverlof vóór de standaardleeftijd? Dan is op dat moment het aanvullingsbedrag nog niet volledig. U raakt het aanvullingsbedrag tijdens levensloop niet kwijt. Maar door de aanvullingsregeling vrijwillig voort te zetten, bouwt u tijdens het verlof uw aanvullingsrecht verder op. U kunt er ook voor kiezen naast de aanvullingsregelingen de middelloonregeling voort te zetten.
Het antwoord is nee.
Voor het recht op de aanvullingsregeling is weliswaar een belangrijke voorwaarde dat men tot de pensioendatum blijft deelnemen aan de pensioenregeling, maar levensloopverlof, aansluitend op de deelname, geldt ook als actief deelnemerschap. Tijdens levensloopverlof is er daarom geen verplichting om de premies voor de middelloonregeling en de aanvullingsregelingen te betalen. Maar lees ook de vragen hierna. Daar vindt u uitleg over vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling tijdens levensloopverlof.
Omzetten vroegpensioen naar ouderdomspensioen
Als u niet instemt met de omzetting moet u dat binnen zes weken schriftelijk aan bpfBOUW doorgeven. In dat geval verandert er niets aan uw opgebouwde vroegpensioen. Wel blijft dan voor u de regel gelden dat uw vroegpensioen, al dan niet gedeeltelijk, verplicht moet ingaan zodra u op of na uw 60e (UTA 62e) stopt met werken of minder gaat werken.
Voor deelnemers geboren na 1949 is de aanvullingsregeling 55- van kracht. Het voorwaardelijk recht uit deze regeling is onderdeel van het ouderdomspensioen en niet afhankelijk van wel of niet omzetten van het vroegpensioen. Het vroegpensioen gaat voor deelnemers geboren na 1949 nooit apart in. Het gaat altijd gelijk in met het (eventuele) aanvullingsrecht en het (vervroegde) ouderdomspensioen.
Een voordeel is dat u uit de omzetting ook partnerpensioen verkrijgt voor uw huidige partner. Wanneer u komt te overlijden, ontvangt uw partner naast het opgebouwde partnerpensioen ook het deel uit het omgezette vroegpensioen. Wilt u dat niet? Dan ruilt u het op uw pensioendatum in voor een hoger ouderdomspensioen.
Een ander voordeel van de omzetting van het vroegpensioen is dat wanneer u tussen uw 60e en 65e werkloos of arbeidsongeschikt raakt, het vroegpensioen niet direct in moet gaan.
De standaardleeftijd is immers 65 jaar. Zonder de omzetting van het vroegpensioen is bpfBOUW verplicht het vroegpensioen direct in te laten gaan als u stopt met werken.
Ook als u van plan bent minder te gaan werken kan het verstandig zijn om uw vroegpensioen om te zetten. Doet u dat niet en wilt u inderdaad minder gaan werken, dan moet wij u uw vroegpensioen direct laten ingaan, voor het deel dat u stopt met werken.
Een nadeel kan zijn dat voor de hoogst mogelijke uitkering tot uw 65e rekening moet worden gehouden met een lager fiscaal plafond. Maar vanzelfsprekend wordt het deel dat fiscaal niet mag worden vervroegd, wel uitgekeerd vanaf uw 65e. Het fiscale plafond houdt in dat uw vervroegde uitkering ten opzichte van de uitkering vanaf 65e een maximale verhouding mag hebben van 100:75. In deze verhouding mag de AOW worden meegerekend.
Naast het fiscaal wettelijke maximum geldt nog het volgende. In het reglement van bpfBOUW is bepaald dat vervroegd ouderdomspensioen samen met het vroegpensioen niet meer dan 85 procent van uw laatste loon mag bedragen. Door de omzetting geldt deze regel niet langer. Een voordeel is dus dat uw plafond kan stijgen.
Ja, u krijgt door de omzetting van uw vroegpensioen een hoger ouderdomspensioen en een hoger partnerpensioen. Door de omzetting krijgt u meer vrijheid om zelf te bepalen wanneer u uw pensioen in wilt laten gaan.
Door de omzetting krijgt u een extra ouderdomspensioen dat vanaf uw 65e levenslang aan u wordt uitbetaald. Vroegpensioen is bedoeld voor een veel kortere periode. Namelijk alleen de periode tussen uw 60e (UTA 62e) tot uw 65e. Daarnaast is het zo dat niet al uw opgebouwde vroegpensioen wordt omgezet in ouderdomspensioen. Een deel wordt omgezet in partnerpensioen.
Indien u reeds in bezit bent van een voorstel tot vervroegd pensioen, heeft de omzetting van vroegpensioen naar ouderdomspensioen geen gevolgen voor uw uitkering.
Ja, na de omzetting is er alleen geen sprake meer van vroegpensioen, maar van vervroegd ouderdomspensioen. Uw ouderdomspensioen gaat normaal gesproken in op uw 65e. Maar als u voor uw 65ste stopt met werken of minder gaat werken, kunt u zelf beslissen of u uw ouderdomspensioen op dat moment laat ingaan. De omzetting van uw vroegpensioen heeft hier geen invloed op. Door de omzetting verkrijgt u meer ouderdomspensioen en partnerpensioen.
Dit pensioen kunt u vervolgens eerder laten ingaan. Indien u kiest om niet over te gaan tot omzetting blijf het bedrag vroegpensioen behouden. Dat betekent dat op de standaard leeftijd met vervroegd pensioen moet gaan als u op dat moment geen dienstverband hebt.
Bij vervroegd ouderdomspensioen vervroegt u de ingangsdatum van uw ouderdomspensioen.
De standaard ingangsdatum is 65 jaar. Bij vervroegd ouderdomspensioen laat u uw ouderdomspensioen eerder ingaan dan de standaardleeftijd. Voor het aanvragen van vervroegd ouderdomspensioen kunt u contact opnemen met de Pensioen Informatielijn 020 583 40 41.
Wij sturen u dan een aanvraagformulier. Op het moment dat u met vervroegd pensioen gaat wordt het vroegpensioen niet apart uitgekeerd. Het is een onderdeel van uw totale pensioenuitkering.
In de berekeningswijze wordt gestreefd naar een gelijkblijvende bruto uitkering voor en na uw 65e jaar. Deze berekeningswijze verandert niet als het vroegpensioen nu al wordt omgezet naar extra ouderdomspensioen en partnerpensioen.
In de onderstaande afbeeldingen is de gelijkblijvende uitkering vóór de omzetting en ná de omzetting weergegeven.
vóór de omzetting
ná de omzetting
VP = Vroegpensioen tot 65 jaarVOP = Vervroegd ouderdomspensioen tot 65 jaarOP = Ouderdomspensioen vanaf 65 jaar
Pensioenregeling
Doorwerken betekent inderdaad een hoger pensioen. Hoe hoog dit pensioen wordt, hangt van uw persoonlijke situatie af. Op Mijn Bouwpensioen kunt u een berekening maken.
Vanaf 1 januari 2006 bouwt de deelnemer partnerpensioen op. Het partnerpensioen bedraagt 70% van het vanaf 1 januari 2006 opgebouwde ouderdomspensioen. Als de deelnemer overlijdt in Pensioenregeling Bouwnijverheid, bestaat er in ieder geval recht op een partnerpensioen van 17% van de pensioengrondslag (middelloon). Dit komt overeen met het risico-partnerpensioen (23,5% van de pensioengrondslag) uit Bouwpensioen2000. Het partnerpensioen in Bouwpensioen2000 was verzekerd op risicobasis. Als het risico van overlijden zich niet heeft voortgedaan, bestaat er vanaf 1 januari 2006 geen aanspraak meer op partnerpensioen vanuit Bouwpensioen2000 regeling. Het opgebouwde partnerpensioen in de oude DAP- en LAP-regeling (Dag Afhankelijke Pensioenregeling en Loon Afhankelijke Pensioenregeling) blijft vanzelfsprekend bestaan.
Pensioenregeling Bouwnijverheid is een middelloonregeling. Elk jaar bouwt de deelnemer een stukje pensioen op. Het opbouwpercentage is 1,8% van de pensioengrondslag van het betreffende jaar. (1,8% van het bruto jaarloon inclusief vakantietoeslag, minus het bodemloon). De pensioenaanspraken worden twee keer per jaar vastgesteld: per 1 januari en 1 juli van het betreffende jaar. Door bpfBOUW wordt een toeslag verleend op de pensioenaanspraken vanuit de Voorziening Pensioenverbetering voor zover de beschikbare middelen van het fonds dit toelaten.
Komt het wel eens voor dat bpfBOUW te veel betaalt?Een uitkering kan op twee manieren onterecht door bpfBOUW betaald zijn. In verreweg de meeste gevallen blijkt achteraf de uitkeringssituatie anders te zijn. Bijvoorbeeld wanneer verbetering van de arbeidsgeschiktheid bij het fonds pas bekend wordt nádat de arbeidsongeschiktheidsuitkering is berekend en uitbetaald. En soms is de uitkering door het fonds te hoog berekend.
Terugbetalingsbeleid bpfBOUWBpfBOUW kent een terugbetalingsbeleid. Als bpfBOUW ten onrechte een betaling naar u overmaakt waar u geen recht op heeft, moet u dit weer terugbetalen. Het terugbetalingsbeleid is bedoeld om dit op een redelijke manier te regelen.
Wat is een vordering?Het bedrag dat bpfBOUW ten onrechte aan u betaald heeft, moet u terugbetalen: dat wordt ook wel 'vordering' genoemd. BpfBOUW wil die vordering binnen het lopende kalenderjaar innen. En kent daarvoor twee manieren: verrekenen en vorderen. De ene manier: Verrekenen Verrekenen is alleen mogelijk wanneer u nog een uitkering van bpfBOUW ontvangt. De vordering wordt dan in één keer op de eerstvolgende uitkering in mindering gebracht. Dat is niet altijd mogelijk. Verrekenen in twee of meer termijnen is nodig als de vordering hoger is dan de uitkering. U wordt van het einde van de verrekening op de hoogte gebracht. In bepaalde gevallen kunt u een betalingsregeling treffen. Dat is in elk geval zo als de vordering is ontstaan doordat het fonds de uitkering onjuist heeft berekend. BpfBOUW wil de periode waarin de vordering met uw uitkering verrekend wordt zo kort mogelijk houden. Dat lukt niet wanneer een hoge vordering over een lange periode verrekend zou moeten worden met een lage uitkering. Een enkele keer zal het fonds daarom naast verrekenen ook voor de andere manier (vorderen) kiezen. De andere manier: Vorderen Vorderen is noodzakelijk wanneer er geen lopende uitkering meer is waarmee verrekend kan worden. De vordering mag in termijnen worden betaald. Daarvoor kunt u een betalingsregeling afspreken. De betalingsregeling Bij het afspreken van een betalingsregeling wordt rekening gehouden met uw financiële situatie en met bijzonderheden in uw gezinssituatie. Het fonds wil aan de ene kant voorkomen dat de aflossing in termijnen “levenslang” moet plaatsvinden. Aan de andere kant wil het fonds zo mogelijk een (minimale) uitkering blijven verstrekken. Dit laatste in het geval van verrekenen. Hoe wordt u geïnformeerd? Als blijkt dat bpfBOUW u te veel heeft betaald, ontvangt u een brief waarin de 'bruto vordering' is vermeld.
Bij vorderen:U ontvangt vervolgens bericht over de hoogte van de nettovordering. U weet dan precies hoeveel u moet terugbetalen.
Bij verrekenen:Wanneer voor verrekenen wordt gekozen, ontvangt u geen bericht. De bruto-vordering wordt bij verrekenen van de bruto-uitkering afgetrokken.
Premies
Op de premies voor de aanvullingsregelingen en de excedentregeling is de omkeerregel van toepassing. Deze premies zijn dus aftrekbaar.
Toeslag
Als toeslagverlening mogelijk is, wordt deze verleend aan:1. Gepensioneerden die van ons een pensioen ontvangen;2. Deelnemers die nu pensioen opbouwen bij bpfBOUW;3. Deelnemers die in het verleden pensioen bij bpfBOUW hebben opgebouwd, maar nog niet met pensioen zijn (de gewezen deelnemers, ook wel ‘slapers’genoemd).
In vraag 21 is uitgelegd dat we het gemiddelde nemen van de loonsverhogingen in de verschillende sectoren binnen bpfBOUW. Maar hoe gaan we dan om met meer dan één loonsverhoging in een jaar in een bepaalde sector? Als voorbeeld nemen we de sector Bouwbedrijf. In 2007 had de sector Bouwbedrijf twee loonsverhogingen. 0,75% op 1 januari en 1,75% op 1 juli. Hoe berekenen we in dit geval de loonsverhoging in deze sector? We tellen eerst beide loonsverhogingen bij elkaar op. Vervolgens tellen we daar 1,75% maal 0,75% bij op (verhoging op verhoging). De loonsverhoging in deze sector komt daarmee op 2,51%. Lees meer over toeslag verlenen.
BpfBOUW streeft ernaar de pensioenen van gepensioneerde deelnemers en de pensioenaanspraken van actieve deelnemers even sterk te laten stijgen als de lonen in de bouwnijverheid over het voorafgaande jaar. Hoe berekenen we de verhoging van uw pensioen? We nemen het gemiddelde van de loonsverhogingen in de verschillende sectoren binnen bpfBOUW. We houden daarbij rekening met het aantal deelnemers per sector. Hoe groter het aantal, des te zwaarder de loonsverhoging in deze sector meetelt. We spreken daarom van een gewogen gemiddelde loontrend. Omdat de loonsverhogingen in de verschillende sectoren nogal eens van elkaar verschillen, is de verhoging van uw pensioen vrijwel nooit precies gelijk aan de loonsverhoging in de eigen sector. BpfBOUW verleent toeslag onder de voorwaarde dat we voldoende financiële middelen hebben. Lees meer over toeslag verlenen.
BpfBOUWprobeert ieder jaar uw opgebouwde pensioen te verhogen met de loontrend over het voorafgaande jaar van de sectoren binnen bpfBOUW. Lees meer over toeslag verlenen.Geen automatisch recht U kunt aan de verhoging van dit jaar en aan de verwachtingen voor komende jaren geen rechten ontlenen ten aanzien van toekomstige verhogingen. U heeft dus niet automatisch recht op een toeslag. Het bestuur neemt hierover jaarlijks een besluit. We kunnen dit namelijk alleen doen als de belegde premies meer dan genoeg waard zijn om de toekomstige pensioenen van te betalen. Besluit het bestuur slechts gedeeltelijk of helemaal niet een toeslag te verlenen? Dan probeert het de achterstand in de vijf daaropvolgende jaren te repareren.
Als er in een jaar geen volledige toeslag kan worden verleend, probeert bpfBOUW deze achterstand in de daarop volgende vijf jaren in te halen. De inhaaltoeslag gaat niet verder terug dan het jaar 2006.
Gepensioneerden en gewezen deelnemers (slapers) worden altijd met eenzelfde percentage verhoogd. Dat is wettelijk voorgeschreven. Voor de actieve deelnemers is er in de te betalen pensioenpremie een opslag opgenomen. Deze opslag zorgt ervoor dat de actieve deelnemers een aanvullende toeslag kunnen krijgen als er in een jaar geen volledige toeslag wordt verleend.
Vroegpensioen
Elke deelnemer krijgt in 2006 een Opgave pensioenrechten over het jaar 2005, de oude (vroeg)pensioenregeling. De Opgave pensioenrechten 2005 houdt al gedeeltelijk rekening met (toekomstige) opbouw in de nieuwe Pensioenregeling Bouwnijverheid.
Met ingang van 1 januari 2006 is de vroegpensioenregeling afgeschaft. Vanaf 1 januari 2006 wordt er geen vroegpensioenpremie en/of VUT-premie meer ingehouden.De opgebouwde vroegpensioenaanspraken kunnen niet worden afgekocht. De opgebouwde vroegpensioenaanspraken worden opgenomen in het vervroegde ouderdomspensioen en worden op de pensioendatum uitbetaald.
Wezenpensioen
BpfBouw maakt onderscheid tussen twee soorten wezenpensioen:
- Wezenpensioen voor halfwezen. Dit is een uitkering voor kinderen waarvan één ouder is overleden die pensioen opbouwde bij bpfBOUW. De uitkering bedraagt per jaar maximaal 6,5 procent van de laatst vastgestelde pensioengrondslag van de overledene. Zijn er meer dan vier kinderen? Dan bedraagt de uitkering per kind maximaal 26 procent van deze pensioengrondslag gedeeld door het aantal kinderen.
- Wezenpensioen voor volle wezen. Dit is een uitkering voor kinderen waarvan beide ouders zijn overleden. Minstens één van deze ouders moet pensioen hebben opgebouwd bij bpfBOUW. De uitkering voor een volle wees is twee keer zo hoog als een uitkering voor een halfwees.